Dagelijks woord


DagelijksWoord.nl

Agenda

25-02-2024
29-02-2024 10:00 - 12:00
02-03-2024 09:00 - 12:00
03-03-2024
06-03-2024 19:30 - 20:30

Uitgebreide historie van Hervormde Kerk te Zevenhuizen

Historie van Hervormde Kerk te Zevenhuizen

Over Zevenhuizen (Zuid-Holland) als parochie valt weinig te schrijven, omdat het archief van de Hervormde Gemeente niets bevat over het katholieke verleden.
Vanuit het kerspel Hillegondsberg, opgericht voor de Bisschop van Utrecht voor 1025, werd tot ontginning van veengronden, noordwaarts en oostwaarts langs de Rotte, overgegaan. De Rotte was oorspronkelijk een open riviertje, dat uitmondde in de Maas. Volgens het register der tienden, geschreven en behoeve van het Heilige Land, was Zevenhuizen in 1276 een parochie. Hoelang is niet bekend, want een officiële akte ontbreekt, althans hij is nooit gevonden. De naam Zevenhuizen komt voor het eerst voor op een plakkaat van het jaar 1282.
In 1348 werd op paasmaandag, door schout Willem van der Dune aan het “Heilige Feest” van Zevenhuizen een jaarlijkse rente geschonken van dertig schellingen. Er was dus een geregelde parochiale armenverzorging.
Op de “informatie” van 1514 komt als elfde Pastoor Johannes Petrusz voor, ook bekend als Jan van Haarlem, pastorerende over 282 communicanten, die zich bezig hielden met turfsteken, houthakken en een klein beetje veeteelt uitoefende. De kapel van de parochie stond nabij de Rotte. Ook was er een vicarie, gesticht ter eren van Johannes Baptista.
Naarmate de vervening van de omliggende gebieden vorderde, ontstond omstreeks 1500 een nieuw dorp landinwaarts, het tegenwoordige dorp.
Het oorspronkelijke dorp Zevenhuizen, bestaande uit een kapel, kerkhof, meerdere huizen en in de naaste omgeving een aantal boerderijen, nabij de Rotte, raakte daardoor in verval.
Toen die kapel geheel vervallen was, hebben de kerkmeesters besloten dat: Ter Eere Gods en tot gerief van de inwoners van het dorp een nieuwe kerk neer te zetten. Daarom was er een grote som geld nodig en daarom werd besloten de bouw te financieren door het uitgeven van schuldbrieven. De rekenkamer te ’s-Gravenhage gaf de nodige informatie aan Keizer Karel V, waarna deze zijn toestemming verleende.

Kerkbouw
Van de bouw blijkt uit “Het witte ruige register” van de genoemde rekenkamer, akte nummer 245, gegeven door de Keizer op 25 september 1526. Er werd octrooi verleend om lijfrente te mogen verkopen, “om een nieuwe kerk te bouwen, daar zij nog dagelijks werkende zijn en om zelf werk te volbrengen.

Men neemt aan dat de kerk in 1527 klaar is en de toren een paar jaar later.
Niet onopgemerkt mag blijven, dat de bouwtijd van het kerkgebouw in 1526 samen viel met een tijd van grote bloei in het turfbedrijf.
Toen de Pastoor Wilhelmus Theodoruszoon in 1528 verlof kreeg om een testament te maken, deelde hij mee ongeveer driehonderd communicanten te hebben, dus parochianen vanaf zevenjarige leeftijd.
De kerk werd als parochiekerk gewijd, en de eredienst was algemeen, en dus voor iedereen bestemd. Maar toch waren er veranderingen op komst.
In het bouwjaar 1526 vond in Spiers de Rijksdag plaats, waarbij het gesprek ging over de kerkelijke hervormingen. De eerste tekenen van de nieuwe godsdienstige stromingen werden waarneembaar in enige ketter-processen, de eerste was al voor 1530, waarbij enige Rotterdammers betrokken waren, inwoners van een toen nog kleine stad van ongeveer 6000 mensen aan de monding van de Rotte.
In 1567 heeft Jan Potter Jans zoon, “gezworen landmeter”, een kaart vervaardigt van de Rotte, dit naar aanleiding van een geschil over het visrecht in de Rotte, tussen Koning Philips en de Tweede familie van Zwieten. Deze kaart geeft het beeld van die tijd weer.

Het dorp Zevenhuizen is ingetekend met de kerk, de toren en meerdere bomen daaromheen.
Ook het oude kerkhof is aangeduid, op de plaats waar thans het Koornmolengat gelegen is, dus vrij dicht bij de Rotte zodat men aanneemt dat de kapel destijds ook daarbij gestaan heeft.
Volgens een kasboek opgemaakt in het jaar 1569 waren er ten opzichte van de pastoor grote moeilijkheden. Hij had door ouderdom of om welke reden dan ook, geen gezag meer in de gemeente, hij werd nageroepen en lastiggevallen. Maar ook in andere dorpen van Schieland kwam dergelijke toestanden voor. En dat terwijl de Spanjaarden de volledige macht hadden. Maar het getij keerde.
In 1568 werd, even over de landgrens in Wezel, de synagoge gehouden en de basis van de Nederlandse Hervormde Gereformeerde Kerk gelegd. Vier jaren later werd Brielle ingenomen. En in 1574 werden dijken doorgestoken en landerijen in de omgeving onder water gezet om Leiden te bevrijden.
In de jaren 1574-1580 moet de Reformatie met weinig strubbelingen tot stand zijn gekomen. En waar het plaats vond kregen de gereformeerden ter plaatse het uitsluitend gebruik van het kerkgebouw. De kerkmeesters, gekozen of aangewezen uit de notabelen van het dorp, kregen de zorg voor het beheer en het onderhoud.

Reformatie
Kapelaan Franciscus Johanneszoon was in 1557 gekomen en volgens de dorpsbeschrijver kwam door de afval van Frans de vicarie in 1574 open, en werd ze toen opgedragen aan Arent Jans zoon, die mogelijk de laatste priester in deze kerk geweest zou kunnen zijn, want over de oude pastoor werd niet meer gesproken. Genoemde Franciscus kwam, nadat hij tot de nieuwe leer was overgegaan, als koster in dienst van de kerk. Bovendien werd hij schoolmeester.
Voordat in 1580 de eerste predikant in deze gemeente kwam, betaalde men aan Albertge Hoeuff, een klein bedrag uit voor zekere diensten als predikant, volgens een kwitantie van 22 oktober 1573 door hem ondertekend. Waarschijnlijk heeft hij gedurende zeer korte tijd bijstand verleend.

Van Spaanse dreigingen was in 1580 geen sprake meer en in dat jaar werd Michiel Andriessen, als predikant in Dirksland beroepen.
Die keuze kan niet gelukkig genoemd worden, want hij werd in 1581 uit zijn ambt ontzet. De reformatie bracht ook een grote verandering aan in de vorm van de eredienst, waardoor het koor zijn functie grotendeels verloor. Toen de kerk gebouwd werd bevatte deze het schip en het koor, waarvan de vijfdelige sluiting nog voor een deel te zien is. Voorts was het in die tijd gebruik om het koor van het overige deel van de kerk door een hekwerk af te scheiden, waarbij men zich voor dat afscheidingshek beriep op het gebod van Mozes om de Levieten niet tot het volk te rekenen. Het koor in het oosten beschouwde men als een zeer belangrijk deel van het gebouw, en in dat gedeelte moest het meeste licht vallen door daar de grootste ramen aan te brengen.
Men neemt aan dat de kerk in 1636 werd vergroot en een tweehallenkerk werd. In het stenen poortje aan de zuidzijde werd het jaartal gebeiteld.

Remonstranten
In 1608 deed Ds. M.A. Verburg zijn intrede. Hij ging prediken overeenkomstig de remonstrantse gevoelens, waarmee lang niet iedereen in de gemeente zich konden verenigen.
Zij bleven uit de kerken en kwamen in huissamenkomsten bijeen (conventikels) of op andere wijze, wat door de overheid van Schieland verboden was.
Zoals velen in de omgeving, onder andere in Zoetermeer en in Bleiswijk, ondertekende genoemde predikant de Remonstrantie. Doch in 1619 werden de rollen omgekeerd. Het was het jaar, waarin de Dortse Synode werd gehouden. De Contraremonstranten kregen de macht in handen. Ds. Verburg wilde zich daar niet bij neerleggen, zodat op zondag 14 april 1619 op het bevel van de Baljuw van Schieland een andere predikant de dienst leidde. Ds. Verburg werd afgezet en moest binnen 48 uur het dorp en de classis verlaten. Door zijn prediking ontstond later de Remonstrantse Gemeente te plaatste.

Brand
Een grote brand woedde in 1699 en ook het kerkgebouw werd verwoest. In de nacht van 30 april op 1 mei rond half 12 heerst er een grote brand recht tegenover het predikantenhuis. Het is ontstaan in een van de manhuizen waardoor niet alleen 15 á 16 woonhuizen zijn verwoest maar ook de kerk en de school.
De eerste kerkdiensten na de brand werden in de openlucht gehouden, maar op 5 juni was er een loods behouden gebleven, waar de diensten tijdelijk konden plaatsvinden.
Een gedeelte van de toren en de noordmuur waren behouden gebleven. Evenals de overblijfselen van een zandstenen waterlijst en het poortje met het jaartal 1636 in de zuidmuur. Ook de beide zilveren drinkbekers met de broodschaal waren tijdig in veiligheid gebracht. Men wilde spoedig beginnen met de herbouw van de kerk en de school. De diaconie was bereid om een geldlening te verstrekken.

Herbouw
De kerk werd in de jaren 1700-1701 herbouwd en is nadien voor rampen bespaard gebleven.
Nu komt men via de toren in de kerk en ziet men twee rijen kolommen, die het geheel in twee beuken of hallen verdelen van ongeveer dezelfde breedte. Evenals een zeer smalle zijbeuk, waarvan men zich kan afvragen of dit nog een ander doel had dan om de kerk een driebeukig interieur te geven. De zuilen, die waarschijnlijk als pilaren van een grote middeleeuwse kerk de kappen dragen, zijn niet allemaal massief. Want in het midden zijn het houten gebintstijlen met het stucwerk daaromheen aangebracht.
In de beide hallen zijn houten tongewelven, deze worden gedragen op gemetselde massieve pilaren aan de zuidkant en opgemetselde muurzuilen aan de noordzijde.
Alle gevels zijn van baksteen en alleen de zijgevels nabij het koor zijn van steunberen voorzien.
Aangezien het interieur ook in vlammen was opgegaan, werd opdracht gegeven om nieuw meubilair te kopen. Daardoor zijn nu nog het zeer waardevolle doophek, de preekstoel, de herenbanken en het gebeeldhouwde koorhek eigendom van de kerkelijke gemeente. Helaas verdwenen in de vorige eeuw de koperen kronen en vensterglazen, zoals hierna nader zal worden beschreven.
Eerst zullen we het in de in Nederland weinig voorkomende tweebeukige hallenkerk aanwezige eens nader gaan bekijken.

Kansel
De vroeg zeventiende-eeuwse kansel, waarvan de pilaartjes met evangelisten symbolen zijn versierd, heeft zeer fraai snijwerk. Pas in de vijftiende eeuw werd de preekstoel in de meeste kerken een vast onderdeel en de plaats was bij voorkeur aan de zuidzijde van het schip, waar hij ook na de reformatie in vele gevallen is blijven staan of hangen.
Deze kansel is zeshoekig. De ontwerper/kunstenaar legde in die tijd vaak symboliek in zijn werk. Zijn inspiratiebron is gissen, maar er waren ook voorbeeldboeken met prenten en toelichtingen. Het moest zeshoekig zijn om ons te herinneren aan de kruisiging op de zesde dag en het zesde uur. De trap heeft acht treden en symboliseert de zeven als volheid der schepping, terwijl acht het getal van de herschepping is.
Op de kuip zijn een aantal kleine leeuwenkopjes te zien. Voorts zijn er vier zuiltjes aangebracht, elk met een ander symbool. Al in de vroege christenheid maakte men voor het aanduiden van de vier evangelisten gebruik van symbolen en dat is in dit snijwerk ook te bewonderen. Het is als volgt: Mattheüs, een mens met vleugels, dus een engel, omdat de evangelist zijn evangelie aanvangt met de menswording van de Messias.
Markus kreeg de leeuw tot symbool, omdat hij in zijn eerste hoofdstuk verhaalt over de woestijn, waarin Johannes doopte. Lucas heeft het rund als symbool, vanwege de priester Zacharias die tijdens het offeren een blijde tijding van een engel ontving.
Johannes, met de adelaar naast zich, want aan hem werd de genade gegeven om de goddelijke oorsprong van het Woord te aanschouwen.
Daaronder zien we een horizontale lijst met in elk vak zeven schelpmotieven en tussen ieder vak een vrouwenfiguur, waarvan twee met een diadeem in het haar, die samen als het ware de kuip dragen. De preekstoel staat niet op de grond, maar suggereert dat hij wordt gedragen. Het symboliseert dat het woord Gods de mens boven de aarde verheft.
Daaronder komen de wanden van de kuip samen en zien we naast elkaar zes leeuwenpoten met de nagels, diede zogenaamde lampet vasthouden.
Boven de aan een pilaar hangende preekstoel is een zeshoekig klankbord aangebracht, met daarop een versiering met het jaartal 1702. Het is een wapenbord, met een kroon daarboven en vastgehouden door 2 adelaars. De adelaar met haar beschuttende vleugels, het symbool van het evangelie der genade. Het wapen werd tijdens de Franse revolutie verwijderd en vervangen door houtwerk waarop lijnen werden aangebracht. In die tijd werden vele wapens afgehakt, verwijderd of onzichtbaar gemaakt. Aan de spreekstoel werd een geel koperen lessenaar bevestigd. Waarop een kanselbijbel, geschenk anno 1867 van Ds. Theesing, die toen predikant was van deze gemeente.

Doophek
Het zogenaamde doophek omgeeft de tuin, de plaats waarbinnen vroeger de doopbediening plaatsvond en tijdens de dienst de ouderlingen en diakenen zaten, evenals tijdens de doopdiensten de ouders van de dopelingen.
Voor de restauratie was het hek dicht, terwijl op het gedeelte voor de preekstoel een koperen lessenaar geplaatst was. Dit was vroeger de plaats van de voorlezer en als zodanig tot het begin van deze eeuw in gebruik geweest.
Aan de trap van de preekstoel zit de koperen doopbekkenhouder van ± 1725-1750 bevestigd. Oorspronkelijk was de doop door onderdompeling, maar later kwam ook de besprenkeling met water uit het doopbekken in gebruik. In 1311 liet het concilie van Ravenna de keuze vrij.
Voor de preekstoel staat nu een eiken doopvont, dat in 1971 werd geschonken. Ook staan daar de knielbank en de collectezakstandaard, beiden met houtsnijwerk, wat overeenkomt met dat van de antieke preekstoel en na de restauratie geschonken door koster en gemeentelid Frank Paul, dit deze zelf vervaardigd had.

Regeringsbanken
In deze kerk werden na de herbouw drie zogenaamde regerings- of herenbanken geplaatst, drie eiken bankstellen met luifel, elk van twee rijen met vijf plaatsen. Alle zijn nog in de kerk aanwezig. De eerste heette de regeringsbank, later raadsledenbank genoemd, en had een rij zitplaatsen voor het gemeentebestuur en een rij voor de ambachtsbewaarders.
De tweede heette de polderbank, waarvan een rij voor het bestuur van de Tweemanspolder en een rij die van de Eendrachtspolder. De zuidplaspolder aan de oostzijde van het dorp gelegen bestond toen nog niet.
Het derde bankstel stond omschreven als de Ambachtsherenbank en was achter het koorhek geplaats. Over die bank is in 1867 een kwestie gerezen met de toenmalige ambachtsheer, die te ’s-Gravenhage woonde.
Hij had het eigendomsrecht van die bank en aan de kerkvoogdij de vrijheid gegeven om die te verhuren. Maar de kerkvoogden besloten in hun vergadering van 28 september 1867 dat van die dag af niemand eigenaar of huurder was van enige zitplaats, wie dan ook, tenzij hij inwoner van de gemeente was. De ambachtsheer reageerde met een felle brief en exploiten. Het kwam niet tot een procedure. Om inkomsten te verkrijgen ging de kerkvoogdij over tot verkoop en verhuur van zitplaatsen. Overal in het land spiegelden rang en stand zich in de vaste zitplaatsen, die op zondag werden ingenomen. De genoemde herenbanken hebben een overluiving met fraai houtsnijwerk. In sommige andere kerken zijn daarop een of meerdere wapens met versiering aangebracht. Zou dat hier ook zo geweest zijn? In het boekje van de dorpsbeschrijver, die in 1796 deze kerk beschreef, komt de navolgende zin voor: “De gestoelten der Regering waren voor onze gezegende revolutie zeer aanzienlijk en van bruin hout, doch hebben nu, dat te prijzen is, al hunne aanzienlijkheid verloren en worden verhuurd”.
In die banken waren enkele houders voor de kaarsenstandaards aangebracht, en sinds de restauratie zijn enkele koperen houders op iedere bank aanwezig.

Wetsbord en uurwerk
Boven de ingang, tegen de torenmuur werd tussen de jaren 1725 en 1750 het tien geboden bord in Lodewijk XV-Stijl aangebracht, met op het ene bord vier en op het andere zes geboden, alsmede de inhoud van de wet uit het evangelie, naar de beschrijving ban Mattheüs.

Koorhek
Middengedeelte koorhek
Rechts een gedeeld wapen, waarop onder elkaar:
Linkerhelft: een roos, twee vogeltjes boven een vis, een vogel is een geschaakt St. Andrieskruis.
Rechterhelft: twee vogeltjes boven een vis, dan een vogeltje in een geschaakt St. Andrieskruis en daaronder een roos. Als je naar het koor kijkt zie je twee wapens in het dubbel naar het koor draaibare hek.
Het linkse hek:
Rechts, een bal, waarover een koord aangebracht is als een kruis.
Links, een leeuw met een schild op de borst, beladen met een paal
Het rechtse hek:
Rechts, drie pompebladeren (twee en een daaronder)
Links, het wapen met wassende manen.

Het valt op dat boven de wapens de draaihekken kronen van verschillende vorm en grootte zijn aangebracht. Het wapen met de bal betreft dat van Michel Claesz Bontenbal, die van 1697-1719 de schout was. Het wapen met de klimmende leeuw behoort aan Nicolaas van der Duyn die de zes verbrande manshuizen nabij de kerk in 1705 liet herbouwen. Op het lichaam van de leeuw is een wapenschild te zien. Met drie verticalen banen, waarvan de middelste geribd is. Het tegenwoordige gemeentewapen bevat eveneens drie banen, een geel en twee groen gekleurd.

Kronen
Omdat er ook avonddiensten gehouden werden, was verlichting noodzakelijk, Na de herbouw schonken meerdere, ingezetenen een kroon en uiteindelijk kwamen er zes te hangen, alle voorzien van echte kaarsen daardoor kostte het aansteken in die tijd waarschijnlijk erg veel werk.
Een lijst met volledige omschrijving van alle kronen, van de opschriften en bijzonderheden is bewaard gebleven. Zo stond op één, geschonken door vijf mannen, “op ’t choor gegeven”.
Later heeft een echtpaar in de jaren 1700, 1706 en 1709 kronen geschonken, de alle voorzien waren met schildjes, waarop de veehouderij was afgebeeld.
Vele jaren hebben al die fraaie kronen in de kerk gehangen, totdat in 1866 ingezetenen naar moderne petroleum verlichting verlangden terwijl anderen meenden dat het eertijds geschonkene niet verkocht mocht worden. De voorstanders van verkoop zeiden: “Alles wat voor de nieuwe voorlichting nodig is, kan uit de koopsom worden betaald, zodat dit schone werk tot stand zal worden gebracht zonder geldelijke bezwaren van de gemeente”.
En die verkoop van alle kronen ging door, voor de totale som van 1.030 gulden, waarvoor ijzeren kronen met 48 stuks olielampen werden gekocht. Voorts werden ook enkele lampen aan de pilaren aangebracht, waarvan twee nu nog aanwezig zijn, evenals één staande. In “De gids”, jaargang 1873 bladzijde 364, schreef Victor de Stuers, dat de genoemde kronen op de dag voor zijn schrijven bij een koopman in Den Haag lagen en een paar dagen later naar Engeland zouden worden verscheept. Zo verdwenen enkele via de Haagse antiekhandel. Twee zijn in Nederland gebleven en bevinden zich nog altijd in het Historisch Museum te Rotterdam.

Glazen
Helaas moet het interieur de warmte van kleurig glas in lood missen. Zestien vensters werden voorzien van glazen met wapens van steden, dorpen, waterschappen, aanzienlijke personen, Bijbelse taferelen en verzen. Vier vensters in de noordwand werden in 1701 met een glas versierd. In de zuidwand waren enkele in 1702 aangebracht, in 1707 en op een tweetal stond het jaartal 1752.
Uitgebeelde Bijbelse taferelen waren: Izaäk die Jacob gezegende, Elia te Sarepta en de genezing van Naäman. Het kerk glas in het vijfde venster, vlak achter de preekstoel was gedateerd 1707 en bevatte het wapen en de naam van de predikant Ds. Joh. Van Gilst, die hier stond van 1695 tot zijn overlijden in 1710, evenals van de ouderlingen en diakenen.

Het zesde venster anno 1752, bevatte de namen en wapens van de twee ambachtsbewaarders en die vier schepen (gezworen). De kerkmeesters waren vermeld in het tiende en de schout secretaris in het veertiende venster.
De glazen waren merendeels vervaardigd door Arnoldus van Well en Pieter Loover.
In 1790 barstte boven Zevenhuizen een hagelbui los en de stormachtige noorderwind joeg de hagelstenen tegen de gebrandschilderde glazen, die ernstig werden beschadigd. Men heeft deze daarna hersteld door het glas met doorschijnende olieverf te laten bijschilderen, zodat de dorpsbeschrijver in 1996 kon melden; “Vele glazen waren door de avondlijke zware hagelbui ingeslagen, doch zijn door de kerkmeester hersteld en zij hebben niets van het eerste aanzien verloren”. Door de vorming van de Bataafse Republiek verscheen in 1795 een aantal publicaties van de Provisionele Representatie van het volk van Holland, waarin onder meer het navolgende stond beschreven: “dat binnen de korts mogelijke tijd uit alle kercken en andere publieke gebouwen tot die gewest behorende, weggenomen worden de wapenborden en er gestoelten en andere tekens van onderscheiding”. Daarom moesten alle “wapens” uit de kerk worden verwijderd. Maar volgens sommigen sloeg het verwijderen speciaal op de wapenborden boven banken en niet op de glazen in de vensters. En indien de wapens uit de glazen gehaald zouden moeten worden, dan ging het tochten in de kerk. Tenzij er door de schilder blank glas in gezet zou worden, maar dat kostte geld. Zodoende bleven de glazen bespaard. Helaas niet voor altijd. Ongeveer zeventig jaren later, werd het noodzakelijk om een nieuwe pastorie te gaan bouwen. In de landbouw en de veehouderij ging het in die jaren slecht, zodat de kerkvoogdij de geldlening, die nodig zou zijn om de bouw te financieren, zo laag mogelijk wilde houden. Daarom besloten kerkvoogden en notabelen en invloedrijke leden der gemeente om de glazen te verkopen en zo worden advertenties geplaatst in de Haarlemmer- en de Nieuwe Rotterdamse Courant. R.C. Leemans, archeoloog en directeur van het Museum van Oudheden te Leiden, had een aantal jaren tevoren het voorstel gedaan om monumenten op te sporen en voor de ondergang te bewaren. Dit voorstel werd aanvaard en daarom benoemde de Koninklijke Nederlandsche Academie van Wetenschap een vaste commissie “tot bescherming van monumenten”. Door het bericht in de dagbladen werden die commissie gealarmeerd, en zijn protesteerde bij de kerkvoogdij en de predikant Ds. G.J. Vos, tegen de voorgenomen verkoop. Helaas tevergeefs. Die commissie had een uitvoerige beschrijving van alle glazen laten maken. Sommige konden echter niet volledig worden omschreven vanwege beschadiging. De beschrijving is bewaard gebleven en werd in de zevende jaargang van kerkklanken der Hervormde Gemeente gepubliceerd.

Een lijst van de negentig wapens in alfabetische volgorde kon daarna samengesteld worden. Zeer vele zijn zogenaamde “sprekende” en waarschijnlijk bij gelegenheid van de schenking der glazen verzonnen en aangenomen.
De verkoop in 1867 ging door en de antiquair Hamburger te Utrecht werd eigenaar. Hij liet ze het volgende jaar in Hotel Drouot in Parijs veilen. Koper werd de Heer Geierscheufer, ook antiquair.
Deze man stierf in 1880 zonder kinderen en opvolger. Waar bleven de glazen? Men vermoedt dat een groot gedeelte vernield werd tijdens het beleg van Parijs in 1870-1871.
Toch zijn gedeelten, elke van 50 bij 50 centimeter groot, gespaard gebleven en verkregen door de antiquair restaurateur Nicolaas Kroese, eigenaar van een tweetal restaurants te Amsterdam. Een viertiental kreeg een plaats in zijn “ ’t Olde Binnenhofje”. Voorts zijn enkele gedeelten in particulier bezit.

Consistorie
Oorspronkelijk was de consistorie op de plaats waar zij ook nu aanwezig is, met een deur naar de kerkruimte, waarin panelen met ornamentaal snijwerk.
In 1824 ontving de kerkvoogdij een lastgeving van de gemeente bestuur om een onderzoek in te stellen van de toestand van het kerkgebouw. Het gevolg was een kleine restauratie voor het bedrag van 4.300 gulden, wat grotendeels werd terugontvangen van het Rijk en de Provincie. Voorts nam het besluit om een nieuwe consistorie te bouwen aan de voorzijde in de hoek van de Zuidbeuk en toren, zoals op oude foto’s nog te zien is. Het was ontsierend en werd bij de restauratie in 1968 afgebroken. De vervallen oude consistorie was enkele jaren tevoren herbouwd. Bij die werkzaamheden kwamen muurresten van ongeveer een meter dik te voorschijn. Hieruit heeft men afgeleid dat de situatie, wat de consistorie betreft, vroeger heel anders is geweest dan tegen tegenwoordig.

Orgel
De kerk was herbouwd maar een orgel kwam er niet in te staan. Nadat de Reformatie tot stand was gekomen, mochten de orgels op zondag niet bespeeld worden (Synode te Middelburg in 1581).
Vele jaren later bepaalde de Synode te Delft (1638) dat elke kerkenraad de plaatselijke beslissing diende te nemen, toch in vele dorpskerken was toen nog geen orgel aanwezig. Zodoende zal het verplicht zingen van tenminste een lied uit de Evangelische gezangen die op 1 januari 1807 werden ingevoerd, moeizaam verlopen zijn. In het laatst van de negentiende eeuw kochten meerdere naburige gemeente een orgel. Zodat Zevenhuizen eveneens naar een instrument ging uitzien. En in 1901 werd in Gouda een koopovereenkomst gesloten. De koopster (Hervormde Gemeente van Zevenhuizen) verkeerde in de veronderstelling dat het gekochte orgel was gebouwd door Louis Del Hey, orgelbouwer te Antwerpen en in januari 1773 opgeleverd in de Waalse kerk, welke was in de Librije aan de Oosthaven van Gouda.
Dat kerkgebouw heette de zogenaamde “Gasthuiskerk of Librijekerk” en werd gebruikt door de plaatselijke Waalse Gemeente.
Inderdaad was door die orgelbouwer voor die kerk een orgel opgeleverd, maar in 1818 werd dat kerkgebouw als Waalse kerk gesloten en het orgel met gaanderij en kansel samen overgeplaatst naar de Hervormde Kerk te Moordrecht, alwaar nu nog aanwezig.
De Gasthuis(Librije)kerk werd overgedragen aan de R.K. kerk ter plaatse. Zij heeft ergens anders een instrument aangekocht. Omstreeks 1879 – 1880 werd dit orgel vanuit die kerk overgebracht naar de nieuwe parochiekerk aan de Kleiweg, alwaar het ongeveer twintig jaren haar klanken zou laten horen. Een nieuw orgel werd aangekocht en zodoende kon het oude worden verkocht aan de Hervormde Gemeente Zevenhuizen.
In de jaren 1975 – 1976 werd het orgel grondig gerestaureerd door de orgelbouwer Gebr. Van Vulpen. De rijksdienst van de Monumentenzorg verlangde herstel in de oude trant, zodat de vroegere blaasbalg met handpomp terugkwam. Deze handpomp is buiten werking gesteld en de blaasbalg wordt door middel van elektrische windvoorziening gevuld.
Tijdens de restauratie werd in de kerk een plankje gevonden, waarop onder meer vermeld staat, door wie in december 1901 en januari 1902 de betimmering voor onderbouw en balustrade werden verricht. Bij de opstelling in 1902 werden tal van pijpvoeten dicht gewreven zodat het minder sterk klonk bij de ingebruikneming op de Tweede paasdag.

Na de restauratie gaf Dr. G. Oost, musicoloog, op 23 februari 1977, een causerie evenals een concert. Volgens hem is de aanvankelijke veronderstelling betreffende orgelbouwer Louis Del Hey niet juist –wat nu blijft uit de verkoop in 1818- en bestaat het in dat jaar aangekochte instrument uit twee orgels, waarvan het bovenste, het eigenlijke, dateert uit de jaren rond 1770, terwijl volgens de heer Oost het onderste vrijwel zeker gebouwd moet zijn door de Friese orgelbouwer van Dam uit Leeuwarden. Bouwjaar onbekend. Er zijn namelijk speciale registers die de noordelijke orgels eigen zijn.

Dispositie
Hoofdwerk: Onderwerk:
1. Prestant 8’ 1. Viola di Gamba 8’ vanaf C1
2. Bourdon 16’ 2. Prestant 4’
3. Holpijp 8’ 3. Fluit Dous 8’
4. Cornet 8’ 5st, af C1 4. Fluit Amour 4’
5. Octaaf 4’ 5. Nasard 3’
6. Quint 3’ 6. Gemshoorn 2’
7. Roerfluit 4’ 7. Tremulant
8. Octaaf 2’ Pedaal:
9. Woudfluit 2’ aanhangen – gekoppeld aan hoofdwerk
10. Mixtuur 3-4 sterk Koppels:
11. Trompet 8’ Bas en Discant onderwerk aan hoofdwerk

Op het orgel staan drie beelden:
– Twee knaapjes, enigszins achterovergebogen, met de omhoog gestoken trompetten, stellen het leven triomferend over de dood voor.
– Één in het midden voorstellend Koning David met de harp, het symbool van zang en muziek.

Resumé:
– Hoofdwerk 1770 orgelbouwer: onbekend
– Onderwerk 18?? Orgelbouwer: van Dam
– 1902 aangekocht aan de R.K. Parochiekerk in Gouda
– 1975-1977 gerestaureerd door Gebr. Van Vulpen te Utrecht (in oorspronkelijke staat)

Verwarming
Het verwarmen van het kerkgebouw met twee grote kachels was nauwelijks voldoende, menigeen liet door de koster een test met vuur in de stoof plaatsen, Een doelmatige verwarming werd noodzakelijk geacht, en in de jaren 1963-1965 werd een gedeelte van de gelden die in het restauratiefonds aanwezig waren, besteed voor hete lucht verwarmingsapparatuur. Het gebouwtje achter de kerk, nu weer consistorie, werd voor die installatie geschikt gemaakt, en daarmede was in feite de hele restauratie op gang gekomen. Tijdens die hele restauratie werd overgegaan tot het aanbrengen van een vloerverwarming, die onder de blauwe hardstenen plavuizen gelegd kon worden.

Hof
De geheel vrijstaande kerk wordt thans aan drie zijden omgeven door een met bomen beplant grasveld, evenals een sloot die in open verbinding met het kanaal staat. Vroeger noemde men dat gedeelte de hof van de kerk, alwaar begraven werd. De dorpsbeschrijver schreef in 1996, toen de gemeente 218 huizen en 1330 inwoners telde, dat de hof was afgesloten door een stenen muur met twee ingangen, waaronder de publicaties en “hetgeen aan den volcke”bekend moest worden gemaakt, kon worden afgekondigd en waarom deze ’t leeshuisjes’ genoemd werd.

Kerkzilver
Behalve twee oude tinnen offerbekers, twee broodschalen, een schenkkan (1955) en twee zilveren offerbekers (geschonken in 1971), bestaat het avondmaalstel uit twee fraaie zilveren bekers en een broodschotel.
De ene drinkbeker heeft een geprofileerde rand aan de voet. Onder de bovenrand is gegraveerd Verlustigt-U in het heyl des Heeren ghij kinderen Gods.
Verdere gegevens: diameter: elf centimeter, hoogte: zestien centimeter, gewicht: 273 gram, de meester een onbekende Rotterdamse zilversmid, meesterteken het jaarletter 1672.

Deze beker werd in december 1966, als werkstuk van een Rotterdamse smid, tentoongesteld door het Historisch Museum te Rotterdam. De tweede zilveren drinkbeker is; de inscriptie luidt als volgt: “Deze twee beekers werden vereert aan de kerkenraadt van Sevenhuysen Ao 1671 J.U. Dick Maers Burgh Weduwvrouw van meester Barent Schader”.
Tenslotte een zilveren broodschotel met inscriptie: “Dese schotel is de kerck vereert van de weduwe van Zalr Willem Leeflangh voor een dubbelt graf in ’t Heckte overleefde man ende voor haer den 24 meij anno 1686”.

Toren
De toren, de kort na 1526 gebouwd werd, in de verre omtrek zichtbaar. Zij neemt ten opzichte van de kerk een bijzondere plaats in, doordat ze grotendeels voor de noordbeuk staat. In 1966 werd met de restauratie begonnen, dit kwam het gehele gebouw ten goede, omdat de in 1860 aangebrachte sombere pleisterlaag volledig werd verwijderd. In de maand november was er op de avond van de 15e een zware storm. De stalen steiger rondom de in restauratie verkerende spits begaf het en trok het geraamte van de spits met zich mee. Het gevolg was dat de gehele houten spits moest worden vernieuwd.

De oppervlakte van deze toren is 6.68 bij 6.60 meter en vanaf het peil zijn de muren 14.96 meter hoog. De traceringen van de zogenaamde blindvensters aan de noord en oostzijde werden opnieuw in de muren aangebracht. De spits is 21.65 meter met als dakbedekking de Engelse Wales Leien, toegepast in de zogenaamde maasdekking.
De toren eindigt in een fraai gesmeed ijzeren finale met de koperen haan als windvaan. Die vijftien kilogram zware haan werd door de toenmalige secretaris van de kerkvoogdij, de Heer A. Gijsenbergh, op dinsdag 22 augustus 1967 op de spits geplaatst. De benedenruimte van de toren is een portaal, waarin enige stenen en voorwerpen onze aandacht vragen.
Allereerst een kleine steen waarop staat:
Gerestaureerd
1966-1971
Aan de rechterzijde zijn enige historische stenen bevestigd, te weten de steen, herinnerende aan de eerste steen die op 21 juni 1925 gelegd werd wegens de bouw van een kerkeraadskamer naast de toren.
Voorts de eerste steen gelegd op 21 juni 1867 voor de nieuwe pastorie. Deze stond destijds aan de overzijde van de Dorpsstraat en ongeveer 50 meter zuidelijk.
Tenslotte de grote steen van de diaconie armenhuizen met namen en wapens op dato 6 mei 1686. De huizen stonden aan de Lange Zijde, werden verkocht aan de Gemeente in verband met de uitbreidingsplannen en in 1971 werd de oude steen overgebracht naar de toren. Boven de kerkdeur is een nis, waarin een oude Bijbel staat en daarboven heeft de oude torenhaan een plaats gekregen. Niet onvermeld mag blijven dat twee oude eiken kisten eveneens een plaats in deze ruimte hebben.

Klokken
In de toren hangen twee klokken, een grote en een kleine. Op de grote klok staat aan de ene zijde een wapen met inscriptie, die aannemelijk maakt, dat deze klok is geschonken door Hendrik Duijst van Voorhout, Heer van Zevenhuizen, en dat hij door J. Onderogge in 1709 werd gegoten. Aan de andere zijde zijn drie wapens en wel van Cornelis van der Houck, Claes Pieterszoon de Rij en Michiel Bontenbal. Laatstgenoemd was schout en secretaris. Op de kleine klok bevindt zich de inscriptie: A.H. van Bergen 19 Heiligerlee 60.

Restauratie
Al in het begin van de vijftiger jaren werd in de jaarverslagen van de Technische Dienst der Gemeente er op gewezen dat restauratie van kerk en toren noodzakelijk werd. De voorbereiding kostte veel tijd, maar op 18 november 1968 kon een begin worden gemaakt met de grondige restauratie van de kerk. Gedeelten van de muren werden hersteld, en de beide hallen werden van nieuwe daken voorzien. Inwendig kon het meubilair grotendeels op dezelfde plaats blijven staan. Wel werd het koorhek iets naar voren geschoven, en de ene herenbank verplaats, waardoor het koor vrij kwam. Zodoende blijft het geheel een goede indruk geven van een achttiende eeuwse dorpskerk met, volgens de deskundigen, een voortreffelijke sfeer en waardevol snijwerk van kansel, koorhek en banken. Na enige jaren van een noodgebouw gebruik gemaakt te hebben, kon de gerestaureerde kerk op 16 juni 1971 voor de derde maal, tijdens een feestelijke dienst, in gebruik worden genomen. De zes nieuwe koperen kronen, waarvan twee waren geschonken, hebben die avond voor de eerste maal gebrand.

Kerkzegel
Veelal werd het zegel vervaardigd, als gevolg van een klassikaal besluit, waarbij dan tevens bepaald werd dat er geen gelijkheid mocht zijn om verwarring te voorkomen. Ons kerkzegel heeft een ronde vorm. Langs de bovenrand staat: Ned. Herv. Gemeente. Daaronder het wapen, drie verticale banen, overeenkomstig met dat van de burgerlijke gemeente, vastgehouden door twee staande leeuwen en daaronder staat horizontaal: Zevenhuizen Z-H. In vergelijking met andere kerkzegels is dit zeer eenvoudig te noemen.

Literatuur
Kerkklanken der Hervormde Gemeente 1952-1953
Extra uitgave Kerkklanken 1971
C.A. Kuysten, publicaties in de Goudsche Courant
A. Gijsenbergh, diverse publicaties
Archief Hervormde Gemeente te Zevenhuizen
J. Verheul, De rotte met de meren en de omliggende gemeenten
L. van Ollefen, Ned. Stad- en Dorpsbeschrijver

Dorpskerk
Dorpsstraat 170
2761 AJ Zevenhuizen

Kapel te Oud Verlaat
Vlietkade 35
2761 DT Zevenhuizen

Predikant
ds. A. Theunisse
tel.: 06-48795849

Scriba
Rinus Klein
tel.: 0180-631242

Bankrekeningnummers
Diaconie:
NL21 RABO 0375 0050 72

Actie Kerkbalans:
NL17 RABO 0362 1055 02

Collectebonnen:
NL24 RABO 0371 3131 98

Ontmoeting in Kerkklanken
NL17 RABO 0362 1055 02